Actueel Column: 1914

Column: 1914

Hein van der Hoeven 17 september 2018

Een overbekend voordeel van de pensioenjaren: je komt tot het lezen van meer boeken. Mijn laatste prooi was ‘The sleepwalkers – How Europe went to war in 1914’ van de Australische historicus Christopher Clark. Ik kreeg het in 2014 bij mijn afscheid van DEU. Het cadeau was uitgezocht door afdelingshoofd (en VDBZ-voorzitter!) Mark Zellenrath. Een goede keus: een schitterend boek, qua inhoud en qua schrijfstijl. Ik heb geen regel overgeslagen.


Het boek verschafte mij nieuwe inzichten. Vooral de rol van Duitsland zie ik nu anders. Het VK maakte zich, anders dan ik altijd had gedacht, nauwelijks zorgen over de groei van de Duitse marine. Ook was het niet zo dat Duitsland Oostenrijk-Hongarije ophitste om Servië gewapenderhand een lesje te leren na de moordaanslag in Sarajevo op troonopvolger Frans-Ferdinand. Integendeel: Duitsland was traag met de mobilisatie van leger en marine. Ik stuitte op aardige weetjes als het feit dat de Turkse marine aan de vooravond van het uitbreken van de oorlog onder leiding stond van een Britse admiraal. En deze anekdote uit de Eerste Balkanoorlog (1912): Bulgarije en Griekenland rukten allebei op naar Thessaloniki, Bulgarije stuurde de Turkse bevelhebber een ultimatum om zich over te geven. Die antwoordde: ‘ik heb maar één Thessaloniki en dat heb ik al opgegeven’ (aan Griekenland).


Maar dit is geen column in een historisch tijdschrift. Wat heeft Clark te melden over de diplomatie?


In de inleiding ruimt Clark al plaats in voor de diplomaten. Hij stelt dat het in het decennium voor het uitbreken van de oorlog voor het ene land vaak onduidelijk was wat het beleid van de andere landen was en wie dat beleid bepaalde. Hij constateert dat er ook vaak ambassadeurs waren ´who were (…) policy makers in their own right´. In het boek komen diplomaten van de grote mogendheden dan ook veelvuldig voor. Mij viel op dat deze diplomaten veel en vooral ook snel rapporteerden, en dat alles uiteraard in code (die soms door het andere land gekraakt was: zo las Oostenrijk alle Italiaanse codes mee).


Een van de ambassadeurs licht ik eruit: Paul Cambon, de Franse ambassadeur aan het Hof van St. James. Hij oefende die functie maar liefst 22 jaar uit, van 1898 – 1920. Hij speelde een rol bij het sluiten van het vriendschapsverdrag tussen Frankrijk en het VK, de Entente Cordiale. Toen het puntje bij het paaltje kwam, in de spannende julidagen na de aanslag in Sarajevo, het Oostenrijkse ultimatum aan Servië en de mobilisaties in Oostenrijk-Hongarije en Rusland, aarzelde Londen om Frankrijk militaire hulp toe te zeggen. Want bij een conflict in de Balkan waren de Britse belangen niet in het geding. Toen Cambon de gevraagde garantie niet kreeg, weigerde hij die boodschap aan Parijs te seinen en verzon hij dat Londen nog geen besluit had genomen. Een ervaren diplomaat op een belangrijke post die op zo’n belangrijk moment een onwaarheid verkondigt! Gelukkig voor Cambon nam Churchill nog diezelfde dag, buiten het kabinet om maar met instemming van de premier, het besluit om de marine te mobiliseren. Eerder maakte Cambon al de verkeerde inschatting dat de Entente voor het VK vooral van belang was om Duitsland in bedwang te houden. Hij ontleende die opvatting aan de Britse S (die hechtte aan gezamenlijk optrekken met Frankrijk en Rusland). Maar de Britse M zag het verbond met Frankrijk vooral als een middel om Rusland te weerhouden van acties die de Britse belangen in Azië konden schaden. ‘This is a classic example of how difficult even the best informed contemporaries found it to read the intentions of allies and enemies’, aldus Clark. Ik sluit deze column af met een anekdote over Cambon. Hoewel hij 22 jaar in Londen in functie was, weigerde hij gedurende zijn hele plaatsing om Engels te spreken. Alle gesprekken voerde hij met een tolk. Die tolk moest zelfs het woordje ‘yes’ vertalen. Zo niet, dan praatte Cambon niet verder.


Hein van der Hoeven

Columnist

Profiel