Van de voorzitter
De afgelopen weken hebben opnieuw laten zien hoe sterk de verbondenheid binnen ons ministerie is. Het overlijden van onze collega Camille heeft velen geraakt. In gesprekken op de gang, in teams en in stille momenten werd duidelijk hoeveel mensen met elkaar meeleven. Misschien heeft dit verdriet ons ook iets geleerd: hoe belangrijk het is dat we niet alleen professioneel samenwerken, maar elkaar ook als collega’s, als BZ-familie, blijven zien en het gesprek met elkaar blijven voeren, juist ook onderling.
Ondertussen gaat het werk door. Een nieuw kabinet is aan de slag, onze nieuwe M en R werken aan een gezamenlijke beleidsbrief die richting moet geven aan het buitenlandse beleid en binnen het departement wordt verder gewerkt aan een toekomstbestendig Buitenlandse Zaken. Daarbovenop komt een tweede taakstelling. En ondertussen vraagt de situatie in het Midden-Oosten wederom een enorme inzet van veel collega’s, zowel op posten als in de vele directies in Den Haag.
Misschien maakt deze periode scherper dan ooit zichtbaar hoe nauw de internationale opgaven waarvoor Nederland staat, de organisatie van ons ministerie en het werk van onze collega’s met elkaar verbonden zijn.
De beleidsbrief zal richting geven aan wat Nederland internationaal wil doen en waar we onze inzet de komende jaren op richten. Maar die richting roept onvermijdelijk ook een andere vraag op: hoe richten we het ministerie zo in dat we dat werk daadwerkelijk kunnen doen? Dat is in de kern een vraag naar organisatie, mensen en middelen. Daarbij is ook de timing van belang. Eerst moet duidelijk zijn welke beleidsrichting wordt gekozen en welke middelen daarbij beschikbaar zijn. Vanuit die keuzes volgt logischerwijs de vraag hoe het ministerie moet worden ingericht, en welke organisatie en bemensing daarbij passen. Zo voorkomen we dat organisatorische ingrepen vooruitlopen op een koers die nog in ontwikkeling is.
Wanneer we spreken over de inrichting van het huis, gaat het immers niet alleen over structuren. Uiteindelijk draait het erom of de organisatie zo is ingericht dat het werk goed kan worden gedaan en of de capaciteit daar zit waar het werk daadwerkelijk plaatsvindt. Dat vraagt om een zorgvuldige, integrale afweging voor het ministerie als geheel, waarin taken, middelen en mensen in samenhang worden bezien. Daarbij is het belangrijk om niet alleen naar instroom te kijken, maar naar het geheel van instroom, doorstroom en uitstroom. Alleen zo blijft er beweging in het systeem en kunnen collega’s zich blijven ontwikkelen.
Tegelijkertijd zien we dat de opbouw van onze organisatie onder druk staat. Er is sprake van een enorme scheefgroei. Dat vraagt om een doordachte en meerjarige aanpak. Een organisatie die onder toenemende geopolitieke druk moet functioneren, vraagt immers om voldoende uitvoeringskracht én ruimte voor ontwikkeling en leiderschap. Juist daarom is het de hoogste tijd het personeelsbeleid grondig tegen het licht te houden. De kernvraag is uiteindelijk niet ingewikkeld: welke taken willen we als ministerie uitvoeren, en welke mensen en middelen horen daarbij? Het is frustrerend dat dit gesprek pas wordt gevoerd terwijl een plaatsingsronde al loopt. En dat er ingegrepen wordt met verregaande maatregelen zonder het geheel te overzien. Hierdoor ontstaat het gevoel dat we achter de feiten aanlopen. Besluiten over instroom, doorstroom of bevorderingen werken immers vaak nog jaren door. Dat vraagt om een bredere blik en een duidelijke meerjarige richting voor organisatie en personeelsbeleid.
Dit komt bovenop de spanning die de plaatsingsronde sowieso met zich mee brengt. Na de eerste ronde hebben sommigen hun volgende stap al gevonden, terwijl anderen nog in afwachting zijn. Het gevoel van onzekerheid neemt voor velen eerder toe dan af: het aantal plekken wordt kleiner en de uitkomst is voor sommigen onzeker. Tegelijkertijd zitten we inmiddels dicht tegen de zomer aan. Voor collega’s en hun gezinnen, zeker bij een buitenlandse plaatsing, blijft er dan weinig tijd om zich voor te bereiden.
Juist in zo’n periode is het belangrijk dat we oog houden voor elkaar. Dat we niet alleen praten over structuren, rondes en plannen, maar ook over hoe het met ons en met onze collega’s gaat. Want uiteindelijk is de kracht van dit ministerie niet alleen wat we doen, maar hoe we het samen doen.